Hoe werden mensen met psychische problemen in Den Haag eeuwen geleden verzorgd? In haar nieuwe boek onderzoekt Corry van Straten de geschiedenis van het Haagse Dolhuys en de geestelijke gezondheidszorg van de Middeleeuwen tot 1795.
Van Straten concludeert dat de zorg in de achttiende eeuw niet zo slecht was als vaak wordt gedacht. Familie speelde daarbij een belangrijke rol: als thuis wonen niet meer ging, konden verwanten bij de burgemeester toestemming vragen om hun naaste in het Dolhuys te laten opnemen. De familie betaalde vervolgens voor de zorg en wie het zich kon veroorloven, betaalde ook voor extra voorzieningen. Soms droegen meerdere familieleden bij of werd er betaald met goederen zoals servies, linnen of groenten.
Het boek 'Het huis aan het Slijkeinde, het Haagse Dolhuys in de 18e eeuw' is het derde boek van Van Straten over de geschiedenis van de Haagse ggz. Eerder schreef zij over de psychiatrische instellingen Rosenburg en Bloemendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog en over de ontwikkeling van de Haagse geestelijke gezondheidszorg van de Middeleeuwen tot 1700.
Tekst gaat door onder illustratie.

Illustratie: PR.
Historische collectie
Van Straten is vrijwilliger bij het Historisch Genootschap Parnassia Groep. Het genootschap beheert de historische collectie van de organisatie en organiseert activiteiten om de geschiedenis van de Haagse ggz levend te houden.
De boekpresentatie vindt donderdag 8 oktober plaats in wijkcentrum De Kronkel aan het Westeinde, vlak bij de historische plek waar het Dolhuys stond. Burgemeester Jan van Zanen, die het voorwoord schreef, neemt tussen het eerste exemplaar van het boek in ontvangst.
Het Historisch Genootschap Parnassia Groep maakte eerder dit jaar bekend een gedenkteken te willen plaatsen in de wijk Kortenbos als blijvende herinnering aan het Dolhuys.